Systematisch DNA-onderzoek in zedenzaken: is de wetgever rechter in eigen zaak?

Elke zedenzaak is anders. Uit informatie van de Federale Politie blijkt dat er jaarlijks meer dan 3.000 verkrachtingen worden aangegeven. De Federale Politie vermoed dat slechts 10% van de verkrachtingen daadwerkelijk wordt aangegeven. Dat maakt dat het reëel aantal verkrachtingen beduidend hoger ligt. Van het totaal aantal aangiftes, seponeert het openbaar ministerie ongeveer de helft.

Strijd tegen seksueel geweld

Om de strijd tegen seksueel geweld aan te gaan, neemt de wetgever allerlei initiatieven. Eén ervan betreft de recent opgerichte Zorgcentra na Seksueel Geweld. Op 15 juli 2020 diende men ook een wetsvoorstel in met betrekking tot DNA-onderzoek in zedenzaken. De huidige regeling houdt in dat de procureur des Konings of de onderzoeksrechter een DNA-onderzoek kunnen opdragen, mits een met redenen omklede beslissing.

Het wetsvoorstel van 15 juli 2020 wilt deze regeling omdraaien. In dit geval wordt het de regel dat er in zedenzaken steeds DNA-onderzoek wordt uitgevoerd, tenzij de procureur of de onderzoeksrechter motiveren waarom zo een onderzoek niet nodig is.

DNA-onderzoek in zedenzaken

Ons DNA is als het ware onze identiteit: het DNA van ieder mens is uniek. Uit DNA-materiaal kunnen onderzoekers hoogst persoonlijke informatie afleiden: het geslacht, de kleur van de ogen, de kleur van het haar, de geografische afkomst, de aanwezigheid van erfelijke ziektes enzovoort. Doordat deze informatie zo persoonlijk is, moet justitie dan ook zeer omzichtig te werk gaan.

De omkering van de motiveringsregel, waardoor DNA-onderzoek in zedenzaken een standaardprocedure zou worden, zet dit voorzichtigheidsprincipe op de helling. Zowel slachtoffers als verdachten hebben er baat bij dat enkel en alleen een magistraat beoordeelt of de analyse van het DNA-materiaal noodzakelijk is.

De wetgever gaat voorbij aan het voorrecht dat magistraten krijgen om te bepalen welke onderzoeksdaden er worden benut in specifieke dossiers. De wetgever kan wel tools aanreiken, maar de onderzoeksrechter of de procureur is het best geplaatst om de noodzakelijkheid ervan te bepalen, aangezien dit hun kernbevoegdheid is.

Omkering van de regel zorgt voor veel overbodige kosten

Bovendien zorgt de omkering van de regel in veel dossier voor veel overbodige kosten. Vaak betreft de discussie in zedenzaken niet of er seksuele handelingen zijn gesteld, maar of er sprake was van wederzijdse toestemming.

In dat geval levert DNA-onderzoek geen bijkomende informatie op en belast men de DNA-labo’s met veel extra werk. Ook dat heeft een prijskaartje. De wetgever meent dat het ook nuttig kan zijn om DNA-materiaal te vergelijken in andere dossiers. Daarmee begeeft de wetgever zich op glad ijs. Fishing expeditions waarbij de politie op goed geluk zoekt naar bewijsmateriaal zijn niet evenredig met de grondrechten van de mens.

Eigenlijk is de omkering van de motiveringsregel meer van hetzelfde. In 2011 werd in het wetboek van strafvordering ingevoerd dat wanneer de procureur of de onderzoeksrechter beslist in een zedenzaak om geen DNA-onderzoek te bevelen, zij hierover duiding verschaffen aan het slachtoffer.

Het is begrijpelijk dat de wetgever streeft naar juridische opheldering in de strijd tegen seksueel geweld. Juist dat is de bestaansreden van de procureur en de onderzoeksrechter: zij kunnen op de juiste manier en om de juiste redenen DNA-onderzoek bevelen.

Nog bijkomende vragen?

In geval van vragen kan u steeds contact opnemen met de advocaten van het team strafrecht.

Wist u dat we nu ook eerstelijnsadvies bieden via onze webshop? Zowel fysiek als digitaal!

Bronnen

[1] Wetsvoorstel van 15 juli 2020 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering betreffende het DNA-onderzoek bij seksueel geweld,
Parl.St. Kamer 2019-2020, nr. 55K1454001.
[2] Art. 44quater, §1, eerste lid en art. 90undecies, §1, eerste lid Sv.
[3] Art. 6 EVRM.
[4] Art. 44sexies, §3 en art. 90duodecies, §4 Sv.