Recht op het vragen van bijkomend onderzoek

Verdachten en benadeelden hebben baat bij een gerechtelijk onderzoek

Bij arrest van 25 juni 2020 beantwoordde het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag van de kamer van inbeschuldigingstelling te Brussel. Naar aanleiding van een verkeersongeval werd een opsporingsonderzoek uitgevoerd. Eén van de bij het ongeval betrokken personen had de procureur verzocht om bij de expertise aanwezig te kunnen zijn om de aansprakelijkheid van het ongeval te bepalen. De betrokken procureur des Konings weigerde dit, waarna hoger beroep werd aangetekend bij de kamer van inbeschuldigingstelling.

In tegenstelling tot het verzoek tot inzage en het verzoek tot het opheffen van een opsporingshandelingen met betrekking tot goederen is in het Wetboek van Strafvordering echter geen parallelle mogelijkheid voorzien van het in een gerechtelijk onderzoek bestaande recht tot het vragen van bijkomend onderzoek (art. 61 quinquies Sv).

Omdat het Grondwettelijk Hof op 25 januari 2017 een arrest had geveld waarin het ontbreken van een recht op hoger beroep tegen een weigeringsbeslissing om een opsporingsonderzoek te kunnen inkijken strijdig had bevonden met het gelijkheidsbeginsel, was de kamer van inbeschuldigingstelling van oordeel dat deze problematiek middels prejudiciële vraag moest worden voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat de personen die in een opsporingsonderzoek bijkomend onderzoek zouden kunnen vragen vergelijkbaar zijn met de personen waarvoor dit recht is voorzien in art. 61 quinquies Sv.

Evenwel oordeelde het Grondwettelijk Hof dat het verschil tussen een opsporingsonderzoek en een gerechtelijk onderzoek objectief is. In tegenstelling tot het uitgesproken arrest van 25/01/17 waarin het ontbreken van een recht op hoger beroep werd aangekaart, is er geen bestaand recht tot het vragen van bijkomend onderzoek in een opsporingsonderzoek.

Bijgevolg kan ook onmogelijk voorzien zijn in een recht op hoger beroep tegen een weigeringsbeslissing op een vraag die alleen vrijwillig wordt beantwoord. Louter in het ontbreken van een recht op het vragen van bijkomend onderzoek ziet het Grondwettelijk Hof geen graten.

Het Grondwettelijk Hof haalde zelf nog aan dat het ontbreken van dit recht geen onevenredige gevolgen met zich meebrengt. Zo moet het Openbaar Ministerie waken over de wettigheid van de bewijsmiddelen en over de loyaliteit waarmee zij worden verzameld. Verder is er het recht op een eerlijk proces waarover de vonnisrechter waakt en waarvan de schending in sommige gevallen zelfs aanleiding kan geven tot de onontvankelijkheid van de strafvervolging. Tot slot kunnen vonnisgerechten indien zij dit noodzakelijk achten zelf bevelen dat wordt overgegaan tot bijkomende onderzoeksverrichtingen.

Hoewel het besproken arrest vanuit rechtstheoretisch oogpunt te verdedigen valt roept het toch vragen op. In het ontwerp van het nieuwe wetboek van strafvordering is immers wel in een dergelijk recht voorzien in het eengemaakte strafrechtelijk vooronderzoek dat onder leiding van het Openbaar Ministerie zal worden gevoerd. Aangezien het overgrote deel van de thans gevoerde strafrechtelijke onderzoek gebeuren onder leiding van het Openbaar Ministerie stelt zich de vraag hoe het ontbreken van een recht tot het vragen van bijkomend onderzoek kan worden verantwoord. Hoewel ook de checks and balances die het Grondwettelijk Hof aanhaalt theoretisch correct zijn, kunnen zijn vanuit de rechtspraktijk niet overtuigen.