Het nieuwe bewijsrecht

Het Belgisch bewijsrecht was al lang aan een grondige update toe. Het huidige bewijsrecht dateert al van 1804. Door de verschillende veranderingen in de maatschappij zijn bepaalde regels uit het huidige bewijsrecht volledig achterhaald en in de vergetelheid geraakt. Zo schenkt het huidige bewijsrecht bijvoorbeeld onvoldoende aandacht aan de technologische ontwikkelingen van de afgelopen decennia. Denk maar aan bijvoorbeeld de bewijswaarde van een elektronische handtekening.

De wetgever heeft getracht om aan de noden van de hedendaagse samenleving tegemoet te komen en heeft het bewijsrecht in een nieuw jasje gestoken. Op 1 november 2020 treedt het nieuwe bewijsrecht eindelijk in werking.

Een opsomming van de meest ingrijpende wijzigingen.

1. Een uitbreiding van het vrije bewijsstelsel

Volgens het huidige bewijsrecht dient elke rechtshandeling boven de 375,00 euro te worden bewezen met een onderhands of authentiek geschrift. Dit levert vaak een bewijsprobleem op. Het bedrag van 375,00 euro was niet meer aangepast aan onze moderne samenleving en diende dringend te worden herzien. Het nieuwe bewijsrecht trekt dit plafond aanzienlijk omhoog tot 3.500,00 euro. Vanaf 1 november 2020 zal voor veel courante verrichtingen dus gebruik kunnen worden gemaakt van het vrije bewijsstelsel en kunnen deze verrichtingen worden aangetoond met bijvoorbeeld sms’en, mails, getuigen, vermoedens, enz.

2. Bewijs tussen ondernemers

Het bewijs tussen ondernemers is altijd vrij. Zij zijn niet gebonden door het plafond van 3.500,00 euro. Het begrip ‘ondernemer’ is een recent begrip dat in het leven werd geroepen in het nieuwe Wetboek Economisch Recht. Het is ruimer als het oude handelaarsbegrip en omvat bijvoorbeeld ook vrije beroepers en landbouwers.

Het nieuwe bewijsrecht volgt nu de evolutie van het economisch recht en laat de term ‘handelaar’ achterwege. Men spreekt nu van een ‘onderneming’ en een ‘ondernemer’. Vanaf 1 november 2020 is het bewijsrecht dus ook automatisch vrij voor vrije beroepers en landbouwers.

Ook de regels over de bijzondere bewijswaarde van een factuur kregen een update. Het nieuwe bewijsrecht verduidelijkt dat een aanvaarde factuur niet enkel geldt als bewijs voor een koop-verkoopovereenkomst, maar eveneens ook voor iedere andere overeenkomst, zoals bijvoorbeeld het uitvoeren van diensten of werkzaamheden en vervoer. Het doet dit door te stellen dat een factuur geldt als bewijs voor de ‘aangevoerde rechtshandeling’. Hiermee sluit het nieuwe bewijsrecht zich aan bij de rechtspraak.

3. Omkering van de bewijslast

Een derde belangrijke verandering is dat de rechter vanaf 1 november 2020 de bewijslast zal kunnen omkeren. Het op vandaag geldende algemene principe dat de eisende partij het bewijs dient te leveren van hetgeen zij aanvoert, blijft bestaan maar wordt verzacht. In uitzonderlijke omstandigheden zal de rechter kunnen beslissen om de bewijslast te herverdelen. Indien een rechter van oordeel is dat het te leveren bewijs door de eisende partij materieel onmogelijk is of buitenproportioneel duur, dan kan de rechter de bewijslast bij de tegenpartij leggen.

Op deze manier heeft de wetgever getracht om een oplossing te bieden voor de onbillijke gevolgen die kunnen voortvloeien uit een rigide toepassing van het algemeen principe. Het typevoorbeeld dat door de minister van Justitie wordt aangehaald is het volgende: stel, u probeert geld uit een bankautomaat te halen, maar er gaat iets mis. Het geld gaat van de rekening maar u heeft het nooit mogen ontvangen. Wanneer u een vordering wenst in te stellen tegen uw bank, dan botst u op een bewijsprobleem. U kan immers onmogelijk zelf aantonen dat u de gelden niet heeft ontvangen. In dit geval zal de rechter de bank kunnen opleggen om aan te tonen dat u uw geld mocht ontvangen. Is dit niet het geval, dan kan de bank in het ongelijk worden gesteld.

Heeft u nog verdere vragen over het nieuwe bewijsrecht? Dan staat ons team ondernemingsrecht u graag te woord.

Neem contact op via deze link.