Onderhoudsbijdragen voor kinderen als nattevingerwerk

Onderhoudsbijdragen voor kinderen als nattevingerwerk

Naar aanleiding van een onderzoek op basis van de belastingaangiftes van bijna 2.500 gescheiden ouderparen dat werd uitgevoerd door de UAntwerpen, verscheen gisteren (5.10.2017) in De Standaard een artikel over de onderhoudsbijdrage voor kinderen als nattevingerwerk.

Het is in de praktijk inderdaad zo dat het doorgaans erg moeilijk is om te voorspellen hoeveel de onderhoudsbijdrage bedraagt die door de familierechtbank zou worden toegekend. In 2010 kwam er een wet met het oog op de “objectivering van onderhoudsbijdragen”, maar die heeft jammer genoeg niet de nodige voorspelbaarheid en transparantie met zich gebracht.

Dat de onderhoudsbijdrage volledig nattevingerwerk zou zijn, volledig afhankelijk van de willekeur van de rechtbank, moet toch worden genuanceerd. Er zijn namelijk (1) parameters waarmee de rechter rekening moet houden en er zijn (2) enkele berekeningsmethodes die vaak worden gebruikt.

1.

Belangrijke parameters bij de begroting van een maandelijkse onderhoudsbijdrage zijn a) de kost van een kind, b) de inkomsten van beide ouders en c) de verblijfsregeling. Wanneer het niet om kinderen met bijzondere noden gaat, zorgen vooral de laatste twee parameters voor grote verschillen: als vuistregel kan men stellen dat de onderhoudsbijdrage groter wordt bij een groter verschil tussen de inkomsten van beide ouders en dat de onderhoudsbijdrage kleiner wordt hoe evenwichtiger verdeeld het verblijf van de kinderen bij elk van de ouders is.

Bij wijze van vereenvoudigd voorbeeld: wanneer het verblijf bij elk van de ouders precies gelijk verdeeld is (bijvoorbeeld in de vorm van een week-week-regeling) en wanneer de inkomsten van beide ouders nagenoeg gelijk zijn, zal in de regel geen onderhoudsbijdrage worden toegekend. Wanneer echter één ouder 75% van de samengevoegde inkomsten verdient terwijl een kind 75% van de tijd bij de andere ouder verblijft, zal de onderhoudsbijdrage aanzienlijk zijn: die zal dan 50% van de kost van het kind bedragen. Bij een geraamde kost van 600,- euro bijvoorbeeld, bedraagt de onderhoudsbijdrage dan 300,- euro. Ook wanneer het verblijf van de kinderen exact gelijk verdeeld is, maar een aanzienlijk inkomstenverschil is, kan er dus een onderhoudsbijdrage worden toegekend. Dat er in een week-week-regeling nooit een onderhoudsbijdrage zou moeten worden betaald, is dus een (hardnekkig) misverstand.

2.

Verder zijn er voornamelijk twee berekeningsmethodes die vaak worden gebruikt: de zgn. methode Renard enerzijds en de methode van de Gezinsbond anderzijds. Beide methodes kunnen tot resultaten leiden die erg uiteenlopend zijn; vandaar dat er zoals in het artikel aangegeven inderdaad vaak ‘mengvormen’ worden gebruikt, met meer gemiddelde resultaten.

 

Gelet op deze parameters enerzijds en berekeningsmethodes anderzijds, is het wel mogelijk om bij benadering een inschatting te maken van een te verwachten onderhoudsbijdrage, bijvoorbeeld met het oog op een minnelijke regeling. Daarvoor kunt u bij uw advocaat gespecialiseerd in het familierecht terecht. Als de vraag toch aan de familierechtbank zou worden voorgelegd, is het uiteindelijk de rechter die beslist. Het resultaat is dan meer onvoorspelbaar, maar echt nattevingerwerk is dat toch niet.